Altaar

Als voorbereiding op mijn pelgimage aan de keukentafel moet* ik een altaartje inrichten. Om te voorkomen dat ik mezelf in een soort Happinez-VT-wonen-gefröbel verlies (en dat gebeurt maar al te gemakkelijk) probeer ik me te verbinden met wat een altaar voor mij is.

Van huis uit ben ik katholiek opgevoed. In de vastentijd had ik een trommeltje waar ik al mijn snoep in bewaarde tot aan Pasen. Pas toen mijn eigen dochter vol goede moed haar vastentrommeltje begon te vullen, en er na drie dagen de brui aan gaf, realiseerde ik me hoe bijzonder het was dat ik dat – zonder te smokkelen – zes lange weken volhield. Met Palmpasen maakten we in de kerk een palmpasenstok, behangen met Nibbits en een broodhaantje. De stok riep gemengde gevoelens in me op. Ik was er trots op, maar ik wist ook dat Jezus over vijf dagen aan het kruis zou worden geslagen. Op Palmzondag jubelden de mensen nog en liep ik met mijn stok te stralen, maar die stemming zou snel omslaan. Dan ging Jezus dood. Dat besef drukte zwaar op mijn kinderlijk gemoed.

Op mijn twaalfde viel ik van mijn geloof. Huilend bekende ik aan mijn moeder dat ik niet langer in God kon geloven. Haar reactie was de beste die een kind zich kan wensen. ‘Dat geeft niks,’ zei ze, ‘dat begrijpt God best.’ Nog altijd denk ik dat de ruimte voor twijfel die ze mij toen bood – terwijl ze tegelijkertijd God onwankelbaar overeind hield -, me later geholpen heeft om de afgebroken geloofsdraad weer op te pakken. Ik besefte dat mijn verzet tegen God niet zozeer God zelf betrof, maar dat wat mensen van hem hadden gemaakt. Waarschijnlijk geldt dat voor veel mensen die het geloof de rug toekeren. Hun verzet is een beeldenstorm. In mijn geval leidde die storm ertoe dat de weg werd vrijgemaakt voor het opbouwen van een eigen Godsbeeld, maar soms woedt de storm zo krachtig dat hij alles verwoest en wederopbouw onmogelijk is.

Op mijn 28ste ontmoette ik de antroposofie. Ik las een boek van Rudolf Steiner en ervoer iets ongekends. Mijn hoofd verklaarde de inhoud volkomen absurd, maar mijn hart jubelde. Het leek iets te herkennen wat het hoofd domweg niet begreep en het liet zich niet wegredeneren. Ik wist: hier hoor ik thuis. Dit is mijn geestelijke afkomst. Of bestemming. Het is maar hoe je het bekijkt. Sindsdien bestudeer ik Steiner en – zoals het een goede vrijeschoolmoeder betaamt – heb ik uren gevilt, gebroodbakt en poppetjes genaaid voor op de seizoenstafel.

Die seizoenstafel komt nog het meest in de buurt van wat een altaar is. Het verbindt me met de loop van het jaar en met de christelijke feesten daarin (antroposofie behoort tot het esoterische christendom) en tilt me uit boven de alledaagsheid van het bestaan. Het is een onderstroom die mijn leven zin geeft op een dieper (of hoger) niveau. En is dat niet waar het bij een altaar om draait? Dat daar handelingen worden uitgevoerd die ons verbinden met iets ‘hogers’ (of diepers). Handelingen die je helpen om bij de waarheid van je hart te komen, als je erin slaagt om je hoofd even zijn tetter te laten houden. Want hij mag dan vaak gelijk hebben, van sommige dingen weet hij werkelijk geen snars af.

Ik ben nu dik twee weken bezig met de voorbereiding voor mijn tocht – ik vertrek met Pasen – en het wordt me steeds duidelijker waarom het idee van een innerlijke pelgrimage me zo inspireert. Het pad van de pelgrim is een heilig pad. Alles wat erop gebeurt – hoe eentonig, vervelend, ontmoedigend en ingrijpend ook – heeft zin, omdat het doel waarnaar het leidt zinvol is. Als je van je leven een pelgrimspad weet te maken en er steeds naar streeft je te verbinden met het hogere (of diepere ;-)) aspect van jouw bestaan, dan is iedere dag een heilige dag. Een bijzondere dag. Een de- moeite-waard-dag. Hoe rot, saai, en onmogelijk hij ook voelt.

* Ik schrijf ‘moeten’ omdat ik de route volg die @ Christine De Vries in haar boek Innerlijk Pelgrimeren heeft uitgestippeld. Net zoals de pelgrim op het uiterlijke pad geen willekeurige route loopt, maar de weg volgt waarop velen hem zijn voorgegaan, houd ik me aan de route van Christine. De belangrijkste reden om voor deze vastgelegde route te kiezen en niet zelf te gaan freewheelen, is dat je op een ongekozen pad ook dingen tegenkomt die je niet plezierig vindt (modderige paden, of innerlijke opdrachten die je om welke reden dan ook tegen de borst stuiten of waar je de zin niet van inziet. Jammer dan. Je moet de weg gaan, anders kom je niet bij je doel.

Marie-José Calkhoven

Marie-José Calkhoven

Blog delen op sociale media?

Facebook
Twitter
LinkedIn
Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *