Rouwen

Een half jaar is hij nu dood. De man van mijn vriendin. Eraan vooraf gingen drie jaren van ziekte. Van diagnose en behandeling. Van hoop die opbouwt en weer instort. Ondertussen hield zij zichzelf en haar gezin draaiende. Tijdens zijn ziekte was er een netwerk om haar heen. Lieve mensen die haar niet alleen emotioneel, maar ook praktisch bijstonden. En toen overleed hij. En langzaam werd het stiller. Niet dat de telefoon niet rinkelde, dat deed hij wel. Niet dat mensen niet meer vroegen hoe het ging. Dat deden ze wel. Maar de hand-en spandiensten verdwenen, ook al werd er feitelijk niet minder van haar gevraagd. Zij heeft nog steeds huis, kinderen, baan.

Ze zit tegenover me en haar gezicht is gezwollen van het huilen. Ze is de sterkste vrouw die ik ken. Ze vervult al haar taken plichtsgetrouw, ontkent niks, verzandt niet, blijft het leven omarmen en toch klopt er iets niet. Ze voelt zich té alleen, te eenzaam. Niet in de zin van alleen zonder partner, maar alleen in haar rouw. Ze leest me voor uit een boek dat gaat over de manier waarop er in Afrika wordt omgegaan met verlies. Hoe de doden daar ‘levend’ worden gehouden in de gemeenschap. Hoe vrienden en familie taken overnemen, omdat ze snappen dat rouwen slechts mogelijk is in een omgeving, die de verantwoordelijkheid voor het dagelijkse leven langdurig meedraagt. Op die manier kan het hart van de rouwende open blijven en versteent het verdriet niet. Ze vertelt over de begrafenisstoeten, waar de vrouwen in een lange rij zingend en dansend achter elkaar aan lopen. Ze voegen zich naar de bewegingen van de rouwende die vooroploopt, en delen zo ook diens gevoelens.

Het verschil tussen de westerse wereld waarin rouw wordt opgevat als een zaak en taak van het individu en Afrika waarin deze opgave door de gemeenschap gedragen wordt, had niet groter kunnen zijn. De westerse nadruk op individuele rouw laat rouwenden – onbewust en ongewild – alleen. Dat is niemands schuld. Het is een logisch gevolg van onze culturele angst voor de dood. We zijn experts geworden in het bestrijden van ziektes en het uitstellen van de dood, maar hopeloos achtergebleven in de omgang met sterven. En juist dit laatste is onontbeerlijk om je te kunnen verbinden met mensen in de rouw. Wie wegloopt van de dood, kan zich niet verbinden met de levenden, bij wie het sterven levensgroot op de voorgrond staat.

Toch is dat wel wat nodig is. Voor mijn vriendin, maar ook voor vele anderen. Er moeten heel veel bakjes eten achter deuren geschoven worden, auto’s gerepareerd, tuinen gewied, kamers geruimd, muren geverfd, of wat er ook maar nodig is om mensen tot op het bot te kunnen laten voelen: ‘Je bent niet alleen in je gemis. Wij zijn er voor je en dragen je mee.’ Alleen een telefoontje met de vraag ‘hoe gaat het?’ is niet genoeg.

Als we rouwen weer gaan opvatten als een gemeenschappelijke zaak en taak, helpen we niet alleen de rouwenden, maar ook onszelf. Ieder verlies wordt dan een oefening om vrede te vinden met onze eigen dood.

Picture of Marie-José Calkhoven

Marie-José Calkhoven

Blog delen op sociale media?

Facebook
Twitter
LinkedIn
Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *