Beter dood?

Ik herinner me mijn tante als fel en uitdagend. Met altijd een weerwoord en een scherpe tong vol humor. Haar rode haren en haar lijf vol sproeten onderstreepten haar temperament en levenslust. In mijn jeugd bracht ik altijd een week in haar gezin door. Overdag bouwden we hutten in Kinderdorp,  en ‘s avonds at ik aardappelen gebakken in het vet van jus. Iets lekkerders bestond er niet. Thuis vroeg ik mijn moeder de aardappelen ook zo te bakken, maar dat lukte nooit want het was geen kwestie van receptuur. Ik at met die aardappelen een deel van mijn tante, van haar persoonlijkheid en sfeer en dat was wat zo heerlijk smaakte.

Nu is mijn tante niet alleen in haar felheid getemd, ze weet ook niet meer hoe ze aardappelen moet bakken, of dat je ze in je mond moet stoppen. Ze weet niet meer van vorken en messen of van tafel dekken. Alle routine is uit haar verdwenen. Een gesprek met haar is niet meer mogelijk. Mijn tante is samengevallen met het eeuwige nu, waarin zelfs de angst om te vergeten, vergeten is.

Het is onvermijdelijk dat haar bestaan vragen oproept naar de zin ervan. Mensen – ook ik – vragen zich af of je in deze omstandigheden niet beter dood kunt zijn. (1) Maar daarmee overschrijden we een grens. Van een zingevingsvraagstuk bewegen we naar een waardeoordeel over iemands leven. Het lijkt erop dat deze grens cultureel steeds verder aan het vervagen is. Alsof het een restant is uit de tijd waarin het sterven nog niet in mensenhanden lag. Is dat erg? Verliezen we iets als we onszelf toestaan bepaald soort leven onwaardig te verklaren en overgaan tot beëindiging ervan? (2)

Zelf blijf ik verzet voelen bij het beoordelen van welk leven ook, al sluit ik mijn ogen niet voor de pijn die mijn tante en haar gezin treft. Ook ik raak tot in mijn botten geschokt als ik zie wat er met haar gebeurt. Maar ik weet ook hoe anderen naar mij kijken. Hoe mijn eigen lichamelijke verval begeleid wordt door oordelen, waar ik mij niet in herken. Hoe er lijden op geprojecteerd wordt, dat ik niet als mijn leed ervaar.

Zou het kunnen, dat mijn tante in al haar aftakeling, toch zin ervaart? Bijvoorbeeld omdat er nog steeds de mogelijkheid tot liefhebben is, wilsbekwaam of niet, lichamelijk intact of niet. Ze kan de zorg voelen die haar omringt. Genieten van eten. Ook voor haar komt elke dag de zon op en de maan verlicht haar nachten. Wat maakt een leven waardevol? Ik weet het niet. Ik weet alleen: er is verzet in mij om andermans leven op zijn waarde te beoordelen. Misschien juist omdat ik niet weet op welke gronden ik dat zou moeten doen.

 

Noten:

[1] Gerbert van Loenen, publicist en voormalig adjunct-hoofdredacteur bij Trouw, schreef over dit onderwerp twee boeken die de moeite van het lezen waard zijn. Zijn eerste boek Hij had beter dood kunnen zijn (2009), is gebaseerd op eigen ervaringen. Van Loenen zorgde 10 jaar voor zijn partner die zeer ernstig hersenletsel oploopt na een operatie. In Lof der onvolmaaktheid (2015) pleit Van Loenen voor een breder perspectief op lijden in het euthanasiedebat

[2]Op dit moment is het nog niet zover zijn dat de euthanasiewet ingrijpen bij wilsonbekwamen mogelijk maakt. Maar gezien de uitbreiding van situaties waarin euthanasie wordt goedgekeurd, is het waarschijnlijk slechts een kwestie van tijd voor ook deze grens geslecht wordt.

Marie-José Calkhoven

Marie-José Calkhoven

Blog delen op sociale media?

Facebook
Twitter
LinkedIn
Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *