Respect

Met klassieke bierbuik en gemillimeterd haar zit hij aan mijn keukentafel. Binnen vijf minuten is me in plat Utrechts haarfijn uitgelegd dat Polen alle baantjes inpikken en waarom allochtonen het land uit moeten. Even later staat hij hijgend in de tuin mijn nieuwe bestrating erin te beuken. Peuk in de mond en de broek zover gezakt dat de bilspleet zichtbaar is. Als hij moeizaam uit kniezit omhoog komt, grijpt hij steevast kreunend naar zijn rug, en hijst vervolgens zijn broek omhoog. Zijn maten maken daar grappen over. Het klinkt alsof ze die al jaren, dag in, dag uit, maken. De man is drieënveertig maar fysiek al aan het einde van zijn latijn. Ik stel me hem thuis voor op een bruinleren bank met bloemetjesbehang en een vrouw die altijd klaagt. Daarom klust hij waarschijnlijk ook zoveel bij in het weekend.

Hij lijkt me weinig empathisch, maar ik vergis me. In de twee dagen dat hij hier rondloopt vraagt hij meermalen naar mijn ‘fysieke toestand’ en ‘hoe het zo is gekomen?’ Bij alles wat ik vertel schudt hij meewarig zijn hoofd en verzucht: ‘Sjonge, jonge, het is toch wat.’ Mijn pogingen hem te vertellen dat het wel meevalt en dat ik ermee geboren ben, vallen niet in vruchtbare aarde. Het blijft ‘sjonge, jonge, niet meevallen’. Bij de lunch vraagt hij of het ook ‘alsmaar erger wordt?’ Ja, Frans, dat wordt het. De arme man is zichtbaar aangedaan. Bijna sla ik mijn arm om hem heen om hem te troosten, maar ja, stratenmakers huilen niet.

Ik neem het hem niet kwalijk hoor, die stoere stratenmaker met week hart. Het is alleen dat de wijze waarop hij mij beziet, me zo vreselijk verbaast. Als ik zijn leven met het mijne vergelijk, voel ik me zo ongelooflijk gezegend. Geen zesdaagse werkweek met fysiek totaal afmattend werk. Geen drank of peuken om het mee vol te houden. En bovenal geen klagende vrouw. Fysiek onbeperkt zijn wordt vreselijk overschat. Ik zou nooit met Frans willen ruilen. Voor geen duizend stratenmakerslijven.

Op het einde van de tweede dag als de straat er mooi in ligt en we gezamenlijk nog even blij staan te zijn met het zwaar bevochten resultaat, vertrouwt hij me toe wat hem het meest heeft beroerd dezer dagen. Mijn man en mijn moeder. Ja, voor die twee heeft hij echt respect. Diep respect. Hij knikt er nadrukkelijk bij. Zijn maat kijkt me ongemakkelijk aan. Duidelijk verlegen met de situatie. ‘Maar Frans’, zeg ik. ‘Ik ben heel leuk hoor!’ Hij lijkt mijn opmerking niet te horen of te snappen. Zijn maat grinnikt wat voor zich uit. Dan reist Frans weer af richting Utrecht. Naar zijn bloemetjesbehang en klagende vrouw. Ik heb respect voor hem

Marie-José Calkhoven

Marie-José Calkhoven

Blog delen op sociale media?

Facebook
Twitter
LinkedIn
Email

Eén reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *